Schrijvers en hun schrijfgewoontes

Sinds deze maand heb ik een werkplek. Een echte echte. Een bureau in een hoek van de woonkamer, met daarop al mijn notitieboeken, een stapel leesboeken, al mijn kunstbrieven, een bloempot met pennen en stiften, een printer en natuurlijk de kattenmand van Doortje, zodat ze me gezelschap kan houden.

Thuis schrijven was vaak een uitdaging, omdat ik me al snel liet afleiden door alles wat belangrijker leek. Even stofzuigen, de vaat doen, de was opvouwen, boodschappen doen, zulke dingen. Er heeft wel altijd al een tafel in huis gestaan, maar die had geen duidelijke bestemming, behalve misschien verzamelplek voor alles wat geen vaste plek had. En nu is die tafel dus een bureau.

Waar ik dan schreef? Overal waar ik niet thuis was. In cafés bijvoorbeeld, of buiten, of in de trein. Ik heb mezelf aangeleerd om een notitieboekje en een pen mee te nemen, of anders heb ik wel een laptop bij, of anders is er altijd nog de notitiefunctie op le telefoon.

Een rondje Google leerde me ook het een en ander over de schrijfgewoonten van andere schrijvers. Dat wil ik ter inspiratie graag delen, omdat ik merk dat veel mensen het romantische idee hebben dat iemand die schrijft gewoon even een briljante inval krijgt, achter een bureau gaat zitten en in één keer een bestseller schrijft. En da’s dus nie zo.

Francis Scott Fitzgerald had bijvoorbeeld de gewoonte om zijn gedachten en observaties op te schrijven in een notitieboekje. Hij deelde deze op in bepaalde categorieën, zoals “gevoelens en emoties”, “gesprekken en opgevangen uitspraken” en “beschrijvingen van meisjes”.

Haruki Murakami houdt er schijnbaar een vrij radicale schrijfgewoonte op na: om vier uur in de ochtend opstaan, vijf of zes uur lang werken en in de middag tien kilometer hardlopen of vijftienhonderd meter zwemmen (of allebei). Daarna een beetje muziek luisteren en lezen, en om negen uur ’s avonds slapen. Dit doet hij elke dag, zonder variatie. De herhaling is het belangrijkste om in een bepaalde mentale toestand te komen. Voor Murakami is schrijven dus een soort topsport: de schrijver moet zowel mentaal als fysiek in goede staat zijn.

Als Ernest Hemingway aan een boek werkte, dan schreef hij elke ochtend vanaf het moment dat het licht werd. Er was dan niemand om hem te storen, het was nog fris, het schrijven was voor hem een manier om op te warmen. Hij herlas zijn teksten regelmatig om erachter te komen hoe het verhaal zich zou voortzetten, zodat hij weer verder kon schrijven.

Orhan Pamuk stelt dat het voor hem niet mogelijk is om te schrijven op de plek waar hij slaapt of leeft. De dagelijkse beslommeringen zitten hem dan te veel in de weg. Hij werkt het liefst in een kantoortje buitenshuis, aan een bureau en omringd door boeken, zo’n tien uur per dag.

Simone de Beauvoir voelde altijd druk om aan het schrijven te gaan. Voor haar begon de dag als volgt: eerst thee drinken en om tien uur beginnen, doorwerken tot één uur. Daarna op bezoek bij vrienden, om vervolgens om vijf uur weer terug aan het werk te gaan. Ze werkte dan door tot een uur of negen. Als het schrijven goed ging, dan las ze de volgende dag een kwartier of halfuur door wat ze de dag ervoor had geschreven, deed een paar aanpassingen en ging weer verder.

Volgens Elif Shafak is schrijven een eerbetoon aan de eenzaamheid. Het is een keuze om je naar binnen te keren, om uren, dagen, weken alleen te zijn. Een vaste schrijfroutine heeft ze niet. Ze houdt niet van stilte terwijl ze schrijft, maar schrijft het liefst op luidruchtige plekken zoals restaurants, vliegvelden of treinstations. Chaos inspireert haar meer dan stilte. Ze houdt van de geluiden van de stad, en van heavy metal.

Bij dat laatste sluit ik me volledig aan. Chaos werkt inspirerend. Of het nou de chaos is van een grote stad, de chaos in een luidruchtig café, of een kleine chaos op mijn bureau.

Mijn boek

Bestel 'Een zwerm spreeuwen'